Voor de veiligheid van onze gasten

Standaard

Het Puttertje 2

 

Ik werk vandaag in de bibliotheek van het Ambassade Hotel aan de Amsterdamse Heerengracht. Hier staan meer dan 3.000 boeken die geschreven zijn door gasten die hier sinds de jaren zestig hebben verbleven. Fictie en non-fictie, veel bekende titels. Schrijvers die vertaald worden in het Nederlands worden door hun uitgever meestal ondergebracht in dit hotel.

De directeur heeft me de 10 boeken aangewezen waarin dit hotel daadwerkelijk figureert. Een van de bekendste is Het Puttertje van Donna Tartt. De hoofdpersoon logeert een aantal dagen in “dit hotel”, terwijl hij in criminele milieus verwikkeld raakt en zelf ook slachtoffers maakt. Na een lange nacht waarin hij een man doodt, keert de hoofdpersoon terug naar het hotel. De medewerker aan de balie doet de deur voor hem van het nachtslot.

Voor iedereen die wel eens heeft gewerkt als nachtportier, zal onderstaand fragment uit Het Puttertje persoonlijke associaties oproepen.

 

De beleefdheid die “die keurige man” in stand weet te houden, roept bij mij vragen op. Wat zou deze ervaren hotelmedewerker doen nadat de gast naar zijn kamer is gegaan? Wie zou hij bellen? Of zou hij de beleefdheid laten prevaleren, het scherm intact laten, de gast zijn privacy blijven gunnen en hem daarmee in bescherming nemen?

 

“Het volgende was gebeurd: ik was mijn hotel een paar straten voorbijgelopen. Bovendien: ik was niet gewend aan Europese hotels, waar je na bepaalde tijd moest aanbellen om binnen te kunnen, en toen ik ten langen leste koud tot op het bot en niezend aan was komen soppen, had ik de deur op slot getroffen en had ik onbepaalde tijd suf en mechanisch aan de klink staan rukken, als een zombie, in mezelf opgesloten en te verkild om te begrijpen waarom ik niet naar binnen kon. Mistroostig had ik naar de glimmende zwarte balie in de lobby aan de andere kant van het glas staan staren: niemand.

Toen was die keurige man—donker haar en donker pak—haastig en met verbaasd opgetrokken wenkbrauwen van achter aan komen lopen. Heel even, voordat hij met zijn sleutels begon te rommelen, kruiste zijn blik de mijne, zag ik de afschuw erin opflikkeren en realiseerde ik me hoe ik eruit moest zien.

“Sorry, meneer, om elf uur gaat de deur op slot,” zei hij. Nog steeds de ogen afgewend. “We doen het voor de veiligheid van onze gasten.”

“Ik werd verrast door de regen.”

“Natuurlijk, meneer.” Hij keek, realiseerde ik me, naar de manchet van mijn overhemd, waar inmiddels een bruine bloedvlek op zat van een kwartdollar groot. “mocht u een paraplu nodig hebben, we hebben ze bij de balie.”

“Prettig te weten.” Daarna, onzinnig: “Ik heb chocoloadesaus gemorst.”

“Vervelend, meneer. We willen met alle plezier proberen de vlek eruit te krijgen.”

“Dat zou mooi zijn.” Rook hij het, het bloed? In de verwarmde lobby stonk ik ernaar: roest en zout. “Het is ook nog mijn lievelingsoverhemd. Profiteroles.” Hou je kop in godsnaam. “Wel heel lekker.”

Goed om te horen, meneer. We willen met alle plezier morgenavond ergens een tafel reserveren.”

“Prettig te weten.” Bloed in mijn mond, overal die smaak en die geur. Ik mocht hopen dat hij het minder goed rook dan ik. “Dat zou mooi zijn.”
“Meneer?” vroeg hij toen ik op weg ging naar de lift.

“Pardon?”

“Uw sleutel?” Een paar stappen naar achter de balie, sleutel uit een vakje. “kamer 27, nietwaar?”

“Klopt,” zei ik, tegelijkertijd blij dat hij mijn kamernummer had onthouden en geschrokken dat hij het meteen paraat had.

“Welterusten, meneer. Prettig verblijf.”

[Donna Tartt, Het Puttertje, p.827-828]

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s